Fotografie

Fotografie

Het woord fotografie komt uit de Griekse taal en betekent “schrijven met licht”. Bij fotografie maak je foto’s door licht vast te leggen met een apparaat. Het apparaat wordt een camera of camera genoemd, de afbeeldingen worden foto’s genoemd. Als je een foto maakt, maak je een foto. Fotograaf is ook een beroep. De meeste foto’s van tegenwoordig worden gemaakt met de kleine camera’s die in smartphones zijn ingebouwd.

Bij fotografie gebeuren er twee dingen: het licht wordt opgevangen en opgeslagen. Bij het vastleggen werkt een camera op dezelfde manier als ons oog: het licht valt op de ooglens, de lens vernauwt de lichtstralen en de lichtstraal valt dan op het netvlies aan de achterkant van ons oog. In de camera valt het gebundelde licht door een lens op een film of op een lichtgevoelig schijfje, de sensor. Het slaat het licht op en maakt er vervolgens een foto van. Een lens bestaat uit één of – meestal – meerdere lenzen.

Hoe werden de foto’s in eerste instantie gemaakt?

Fotografie werd uitgevonden rond 1840. In die tijd werd een vloeibare stof die gevoelig was voor licht uitgesmeerd op papier of een glasplaat. Als er licht op een plek viel, werd de plek donkerder. In het begin duurde het nog enkele uren om een ​​foto te maken. Maar langzaamaan werd het fotomateriaal beter en beter, maar mensen moesten toch een paar minuten stilstaan ​​voordat een foto iets werd. Rond 1900 waren er camera’s die klein genoeg waren om mee te nemen en fotografisch materiaal dat gevoelig genoeg was om snapshots te maken. Dit zijn foto’s zonder veel voorbereiding, zomaar op straat.

Eerst werd de lichtgevoelige stof op een glasplaat gesmeerd. De ruit zat in een doos, de camera. “Camera” is Italiaans en betekent “kamer”. Toen opende de fotograaf even een gaatje aan de andere kant van de camera, en viel er licht op de glasplaat. Zo heb je goede, grote foto’s gemaakt, maar de glasplaat was ook groot, zwaar en breekbaar. In het begin kon je een foto niet dupliceren: de enige foto die de fotograaf in de “box” had, was de enige.

Hoe werkt een camera met film?

Film werd uitgevonden in de jaren 1900. Eerst was het lichtgevoelig karton, later een plastic strip. “Film” was eigenlijk het dunne, lichtgevoelige materiaal op het oppervlak. De film, oftewel de plastic strip, werd opgerold en in een doosje, een cassette, gestoken. Dit werd in de camera gezet. Toen je een foto nam, draaide je een hendel op de camera. Je trok zo aan de film dat je in een nieuwe functie belandde. Toen werd er een nieuwe foto gemaakt, die deze nieuwe plek blootlegde. Hoe langer een film was, hoe meer foto’s er op konden, bijvoorbeeld 36.

Met de filmcassette ging je toen naar een fotostudio. De fotostudio “ontwikkelde” de film tot een negatief: ze dompelden hem onder in een vloeistof die ervoor zorgde dat hij niet meer veranderde door nieuw licht. De klant kreeg niet alleen het negatief, maar er ook afdrukken van. Zo heten de echte foto’s. Als hij later meer afdrukken wilde van foto’s die hij echt leuk vond, zou hij het negatief terugbrengen naar de fotostudio.

Maar er waren altijd mensen die hun films zelf ontwikkelden. Ze hadden een kamer in hun appartement die helemaal donker was, de donkere kamer. Er zat alleen een zwak, speciaal licht in: normaal licht zou de nog lichtgevoelige film hebben veranderd zodra je hem uit de camera of filmcassette haalde. Mensen die veel foto’s maakten, richtten een donkere kamer in. Zelf ontwikkelen was goedkoper dan naar de fotostudio gaan. Ze kunnen ook zelf iets veranderen: de foto lichter of donkerder maken, een sectie kiezen enzovoort.

Camera’s werden in de loop van de tijd steeds beter. Zo is de autofocus toegevoegd. Scherpstellen betekent verscherpen, dus een camera met autofocus kan ervoor zorgen dat een beeld zelfs met een druk op de knop scherp is. Kleurenfilm is al sinds de jaren dertig op de markt. Maar zelfs in de jaren zeventig waren de meeste foto’s zwart-wit omdat kleurenfilm meer kostte. Wat kan een digitale camera doen? Een digitale camera vangt licht op met een sensor. Dit is de rechthoek gezien door het ronde lensgat. In de jaren na 1990 werden de eerste digitale camera’s gebouwd. Bij zo’n camera valt het licht niet meer op de film, maar op een sensor. Dit is een apparaat dat licht omzet in computersignalen. De foto is dan digitaal: deze bestaat uit gegevens die een computer aankan. Een fotobestand kan net als elk ander computerbestand worden verwerkt en gedistribueerd. Het grote voordeel van digitale camera’s is dat je geen film meer hoeft aan te schaffen en te ontwikkelen. Hierdoor kost de individuele foto u bijna niets. De eerste digitale camera’s waren echter nog erg duur en de foto’s waren niet erg goed. Als je inzoomt, kun je snel de stippen zien waaruit ze bestaan. Pas rond 2004 werden digitale foto’s beter dan filmfoto’s. Sindsdien heeft bijna niemand meer een camera met film gekocht.

Digitale foto’s zijn veel gemakkelijker te manipuleren dan foto’s vroeger waren. Met een beeldbewerkingsprogramma op de computer kunnen foto’s lichter of donkerder worden gemaakt, kleuren veranderd, iets uitgeknipt of plaatjes in elkaar gezet. Dit is de reden waarom sommige mensen niet langer geloven wat ze op een foto zien, omdat het veranderd had kunnen zijn. Voordat het echter mogelijk was om iets negatiefs te vervalsen. Maar het is nu natuurlijk makkelijker dan vroeger om een ​​foto te vervalsen en deze te gebruiken om iets te laten zien dat niet bestaat.

Waar heb je foto’s voor nodig Als je iets of iemand op de foto wilde, moest het geschilderd of getekend worden. Dat veranderde met fotografie. Na een tijdje leerden mensen foto’s reproduceren, zelfs in een krant. Tot die tijd wisten de meeste mensen niet eens hoe hun koning of populaire schrijver eruitzag. Maar mensen lieten ook graag foto’s van zichzelf en hun naasten maken. Daarvoor wisten de meeste mensen niet eens hoe hun grootouders eruit zagen toen ze nog kinderen waren, omdat het veel duurder was om schilderijen te laten schilderen.

Allerlei wetenschappers en ontdekkingsreizigers hebben ook foto’s gemaakt voor hun werk. Fotograaf William Henry Jackson reisde rond 1870 door het Yellowstone-gebied van Noord-Amerika. Zijn foto’s inspireerden de mensen van de natuur daar. Dit heeft ertoe bijgedragen dat het Yellowstone-gebied is uitgeroepen tot nationaal park. In een nationaal park worden planten en dieren beschermd, daar mag je niet zomaar jagen.

Er waren en zijn journalisten en politici die willen laten zien hoe slecht de armen leven. Verslaggevers maakten foto’s van oorlogen. Zo konden de krantenlezers zien hoe het er daar werkelijk uitziet. Tijdschriften met extra foto’s, de zogenaamde tijdschriften, bestonden al sinds ongeveer 1930. Vooral omdat er digitale camera’s zijn, worden er elke dag heel veel foto’s gemaakt. Er is zelfs sprake van een beeldenstroom.